1.7 Tot besluit: een onoplosbaar vraagstuk?
De hypothese van Friedländer over ‘der vermeintliche Jan de Cock’ was misschien een minder lang leven beschoren geweest als hijzelf er niet meermaals over had gepubliceerd.1 Het voorgaande illustreert in ieder geval treffend hoe opeenvolgende generaties kunsthistorici vat probeerden te krijgen op een anonieme groep schilderijen, zowel wat betreft de interpretatie van de ermee in verband gebrachte archivalische bronnen als de definiëring van de stijlkenmerken en de naamgeving van de kunstenaar.
In het kader van deze publicatie is ervoor gekozen om de uiteenlopende werken in RKDimages te scharen onder de verzamelnaam ‘Pseudo Jan Wellens de Cock’. Dit om te benadrukken dat de werken niet simpelweg zijn toe te schrijven aan de Jan (Wellens) de Cock die door Friedländer werd geconstrueerd of aan de door verschillende onderzoekers voorgestelde meesters met noodnamen, zoals Meester J. Kock en de door Baldass en Gibson onderscheiden meesters, maar hun oorsprong hadden in aanzienlijk meer werkplaatsen die schilderijen produceerden in een sterk verwante stijl.2
Met het online ter beschikking stellen van records waarin de belangrijkste kunstwerken zijn beschreven, inclusief de beschikbare technische documentatie, hopen we onderzoekers in staat te stellen nieuwe antwoorden te formuleren.
Notes
1 Nog in 1949, in diens inleiding van het eerste deel van Hollsteins Dutch and Flemish etchings, engravings and woodcuts, ca. 1450-1700, beschouwde Friedländer het samengestelde oeuvre als valide.
2 Daan van Heesch formuleert het bondig: ‘Ateliers waren interrelationele ‘organismen’ waar samenwerking hoogtij vierde, niet enkel binnen het atelier zelf, maar ook tussen ateliers onderling’; Van Heesch 2013, p. 10.