1.6 Meester J. Kock
Jan Piet Filedt Kok ten slotte, schreef in 2011 een essay in de catalogus bij de tentoonstelling Lucas van Leyden en de Renaissance in Museum De Lakenhal in Leiden, waarin hij afrekende met de naamgeving van Jan Wellens de Cock.1 Uitgaande van het door Van der Stock gevonden vroege sterfjaar van Jan de Cock, was er in zijn ogen geen aanleiding meer om de kunstenaar nog langer te identificeren met de Antwerpse Jan Wellens de Cock. Om die reden en om dichtbij de bron te blijven, de prent met het opschrift ‘pictum J. Kock’, introduceerde hij een nieuwe noodnaam: ‘Meester J. Kock’. Dit was een aanpassing van zijn eerdere voorstel in de online catalogus van het Rijksmuseum om de meester ‘Pseudo Jan Wellens de Cock’ te noemen, aangezien het Drieluik met de kruisiging, De besnijdenis en De Calvarieberg (alle in het Rijksmuseum) niet onweerlegbaar met Jan Wellens de Cock in verband zijn te brengen.2 Uitgaande van stilistische kenmerken achtte Filedt Kok het aannemelijk dat Meester J. Kock in de loop van de jaren 1520 vanuit Antwerpen naar Leiden was getrokken, waar hij onder invloed raakte van Cornelis Engebrechtsz.3
Meester J. Kock kreeg door Filedt Kok een bescheiden oeuvre toegewezen, dat naast De heilige Christoforus, Friedländers kernstuk, onder meer bestaat uit de De wegzending van Hagar (Wenen), De heiligen Antonius en Paulus in de wildernis (Liechtenstein) en de 1522 gedateerde houtsnede met De verzoeking van de heilige Antonius.4 Bovendien beschouwde hij verschillende werken die door Gibson aan de ‘Master of the Vienna Lamentation’ waren toegeschreven, als mogelijk van de hand van Meester J. Kock, zoals het Drieluik met de kruisiging (Amsterdam) en De kruisdraging in New Haven. Hetzelfde gold voor een Kruisdraging (afb. 1) in het Musée de la Chartreuse te Douai, die door Gibson in 1970 op naam was gezet van de ‘Master of the Douai Carrying of the Cross’, een door hem in Leiden gesitueerde anonieme kunstenaar.5 Op basis van stilistische overeenkomsten en compositorische motieven, zoals het landschap en de expressieve gelaatsuitdrukkingen, werd door Filedt Kok hieraan nog een Drieluik met Ecce Homo (afb. 2) in de parochiekerk van Highnam toegevoegd, dat in 1992 door Grössinger op basis van stilistische kenmerken aan een Leidse anonymus onder invloed van Cornelis Engebrechtsz was toegeschreven.6
afb. 1
Meester van de Kruisdraging te Douai mogelijk Meester J. Kock
De kruisdraging, ca. 1530-1540
Douai, Musée de la Chartreuse de Douai, inv./cat.nr. 2815
afb. 2
mogelijk Pseudo Jan Wellens de Cock Meester van de Kruisdraging te Douai mogelijk Meester J. Kock
De Heilige Petrus met stichters (binnenzijde linkerluik), Ecce Homo (middenpaneel), de Heilige Maria Magdalena met stichtster (binnenzijde rechterluik), ca. 1530-1540
Highnam, Church of the Holy Innocents (Highnam)
Notes
1 Filedt Kok in Leiden 2011, p. 108-118.
2 Balm 2010D.
3 Filedt Kok in Leiden 2011, p. 109.
4 Filedt Kok in Leiden 2011, p. 109-112; 224-227, cat.nrs. 19a-b, 20 en 22.
5 Gibson 1970; Filedt Kok in Leiden 2011, p. 112-113; 231-232, cat.nrs. 26-27.
6 Grössinger 1992, p. 112-115, nr. 28; Filedt Kok in Leiden 2011, p. 112-113; 231-232, cat.nr. 27.