De problematische kunstenaar

RKD STUDIES

1.4 Friedländers hypothese schiet wortel


Hoewel Friedländer in 1918 zijn hypothese met een slag om de arm presenteerde, kreeg ‘der vermeintliche Jan de Cock’ in de navolgende jaren vastere grond onder de voeten. Tal van vakgenoten voegden, uitgaande van de door Friedländer omschreven stilistische kenmerken en compositorische motieven, nieuwe werken aan het oeuvre toe.
Walter Cohen was in 1921 de eerste die in navolging van Friedländer een tweetal werken op naam zette van Jan de Cock: een Heilige Hieronymus (afb. 1) in de verzameling van de Keulse schilder Wilhelm Clemen (thans Museum für Angewandte Kunst, Keulen) en een Heilige Christoforus (afb. 2) in het bezit van de Freiherr von Fürstenberg (thans particuliere collectie, Duitsland), een markante voorstelling van een in een vuurrode mantel gestoken Christoforus, die op de sleep het Christuskind meetorst.1

afb. 1
Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Hieronymus, ca. 1520-1530
Keulen, Museum für Angewandte Kunst, inv./cat.nr. KGM 1072


afb. 2
mogelijk atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Christoforus met het Christuskind, ca. 1530
Private collection

afb. 3
Pseudo Jan Wellens de Cock
De Calvarieberg, ca. 1525-1530
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. SK-A-4921


In zijn overzichtswerk Die altniederländische Malerei uit 1924 schreef Friedrich Winkler onder meer een Calvarieberg (afb. 3) naar een tekening van Albrecht Dürer aan Jan de Cock toe, alsmede een Hof van Olijven (afb. 4) in de verzameling Stroganoff.2 Walter Cohen voegde daar in 1926 nog een Maria met kind tijdens de rust op de vlucht naar Egypte (afb. 5) (Schloβ Hugenpoet) aan toe en Paul Wescher onder meer een drieluik met een Kruisafneming (afb. 6) (Landesmuseum te Münster).3

In 1927 werd het oeuvre van Jan Wellens de Cock flink uitgebreid. Gabriel de Térey beschouwde een Aanbidding van de herders (afb. 7) in de Strossmayerova Galerija in Zagreb (Agram) als een schilderij door Jan de Cock en Jan van Gelder voegde maar liefst zes schilderijen toe: Een pelgrim door de duivel misleid (afb. 8) uit de Parijse verzameling van Coenraad Willem Antonie Buma (tegenwoordig Museum De Lakenhal, Leiden), een Verzoeking van de heilige Antonius (afb. 9) in de Gemäldegalerie te Dresden, een voorstelling van De heiligen Paulus en Antonius in de wildernis (afb. 10) in de verzameling van de Haagse schilder Antonie van Welie (tegenwoordig Gemäldegalerie – Staatliche Museen zu Berlin), tweemaal een Verzoeking van de heilige Antonius (afb. 11-12), beide bij kunsthandel Goudstikker in Amsterdam (het eerste schilderij in 2001 teruggegeven aan de erfgenaam Marei von Saher, New York; het tweede tegenwoordig in Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid) en tot slot een drieluik met De verzoeking van de heilige Antonius (afb. 13) in de Oudheidkamer in Tiel (tegenwoordig Streekmuseum De Grote Sociëteit).4

afb. 4
mogelijk Jan Wellens de Cock
Christus in de Hof van Olijven, eerste helft 16de eeuw
particuliere collectie Stroganoff

afb. 5
mogelijk Pseudo Jan Wellens de Cock
De rust op de vlucht naar Egypte, ca. 1520-1530
Schloss Hugenpoet (Kettwig), particuliere collectie Baron Fürstenberg


afb. 6
omgeving van Pseudo Jan Wellens de Cock of Meester van de Kruisdraging te Douai
De Heilige Johannes de Doper met de stichter en zijn zoon (linkerluik), de kruisafneming (middenpaneel), Maria met de stichtster en haar dochters (rechterluik); op de buitenzijde van de luiken: twee engeltjes met wapenschilden, ca. 1530
Münster (stad, Duitsland), LWL - Museum für Kunst und Kultur, inv./cat.nr. 167 WKV

afb. 7
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
De aanbidding van de herders, ca. 1520-30
Zagreb, Strossmayerova Galerija


afb. 8
omgeving van Pseudo Jan Wellens de Cock
Een pelgrim door de duivel misleid, ca. 1530
Leiden, Museum De Lakenhal, inv./cat.nr. S 788

afb. 9
Pseudo Jan Wellens de Cock
De verzoeking van de Heilige Antonius, ca. 1510-1520
Dresden, Staatliche Kunstsammlungen Dresden - Gemäldegalerie Alte Meister, inv./cat.nr. 843


afb. 10
Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Paulus en Antonius in de wildernis, eerste helft 16de eeuw
Berlijn (stad, Duitsland), Gemäldegalerie (Staatliche Museen zu Berlin), inv./cat.nr. 2014

afb. 11
toegeschreven aan Jan Wellens de Cock
De verzoeking van de Heilige Antonius, eerste helft 16de eeuw
New York City, particuliere collectie Marei von Saher


Behalve in een bescheiden overzichtswerkje over de Antwerpse Maniëristen uit 1921, waar hij het al eerder door hem gepubliceerde over Jan de Cock in een enkele alinea herhaalde, besteedde Friedländer pas in 1932 opnieuw aandacht aan ’der vermeintliche Jan de Cock’. Hij deed dit in deel X van Die altniederländische Malerei, waarin onder meer de in Leiden werkzame schilders Cornelis Engebrechtsz en Lucas van Leyden aan de orde komen.5 Nog altijd was hij onzeker over zijn eigen hypothese. Problematisch was de vraag hoe de Leidse invloed in het oeuvre van Jan de Cock viel te verklaren en in het bijzonder hoe deze kunstenaar zich verhield tot Cornelis Engebrechtsz. Zoals vaker in zijn publicaties balanceerde Friedländer, bij gebrek aan voldoende feiten, tussen verschillende mogelijkheden: Jan de Cock kon een leerling, een assistent of misschien zelfs een familielid van Engebrechtsz zijn geweest.6

In deel XI van Die altniederländische Malerei, gepubliceerd in 1933, schonk Friedländer uitvoeriger aandacht aan Jan de Cock. Hij besprak de kunstenaar in samenhang met de Antwerpse Maniëristen en benadrukte diens stilistische verwantschap met Jan de Beer (ca. 1475- 1528).7 Opnieuw stelde hij vast dat de basis waarop de kunstenaarspersoonlijkheid van Jan de Cock was gestoeld ‘beunruhigend schmal’ was. In het catalogusdeel, onder de kop ‘der vermeintliche Jan de Cock’, nam hij de eerder door hemzelf en het gros van de door anderen toegeschreven werken over, in een aantal gevallen echter met een duidelijk vraagteken. Dit gold bijvoorbeeld voor de door Winkler aan het oeuvre toegevoegde Calvarieberg8 en de Hof van Olijven,9 het door Wescher aan De Cock toegeschreven Drieluik met de kruisafneming10 en De verzoeking van de heilige Antonius in Dresden,11 die door Van Gelder voor het eerst was gepubliceerd. Daarnaast voegde Friedländer een aantal nieuwe werken toe, waaronder Lot en zijn dochters (afb. 14) in het Detroit Institute of Arts.12 Een schilderij met De wegzending van Hagar (afb. 15), dat hij eerder op naam van Cornelis Engebrechtsz had gezet, achtte hij nu mogelijk als van de hand van Jan de Cock.13 Hoewel de lijst met toegeschreven werken nu aanzienlijk was uitgebreid, kan de lezer zich niet aan de indruk onttrekken dat Friedländer de kunstenaarspersoonlijkheid van Jan de Cock voornamelijk als een constructie bleef beschouwen, tot stand gekomen door een combinatie van spaarzame feiten en de daarop gebaseerde aannames.

afb. 12
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
De verzoeking van de Heilige Antonius, ca. 1530
Madrid (stad, Spanje), Museo Thyssen-Bornemisza, inv./cat.nr. 1928.5

afb. 13
omgeving van Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Antonius Abt met stichter (binnenzijde linkerluik), de verzoeking van de Heilige Antonius (middenpaneel), de Heilige Donatius (?) met stichtster (binnenzijde rechterluik), eerste helft 16de eeuw
Tiel, Streekmuseum De Grote Sociëteit, inv./cat.nr. 3324


afb. 14
Pseudo Jan Wellens de Cock
Lot en zijn dochters. In de achtergrond de ondergang van Sodom en Gomorra (Genesis 19:33-34), 1523 gedateerd
Detroit (Michigan), Detroit Institute of Arts, inv./cat.nr. 25.65

afb. 15
Pseudo Jan Wellens de Cock
De wegzending van Hagar en Ismaël (Genesis 21:18-21), jaren 1500 of 1510
Wenen, Kunsthistorisches Museum, inv./cat.nr. 6820


Eveneens in 1933 publiceerde Julius Held, volontair aan de Berlijnse Gemäldegalerie waarvan Friedländer tot in de zomer van 1933 directeur was, een bijdrage in Oud-Holland waarin hij verbanden aanwees tussen een aantal aan Jan de Cock toegeschreven schilderijen en een tweetal bladen in het zogeheten ‘Antwerpse schetsboek’, dat wordt bewaard in het Berlijnse Kupferstichkabinett.14 Lang werd verondersteld dat dit zestiende-eeuwse schetsboek afkomstig was uit de werkplaats van de landschapschilder Herri met de Bles (ca. 1510-ca. 1550), maar tegenwoordig wordt het ‘Antwerpse schetsboek’ veeleer opgevat als een tekenboek met model- of werktekeningen die door verschillende kunstenaars naar bestaande composities zijn vervaardigd.15 De folia 31r-32r (afb. 16-17) tonen een getekende voorstelling van een Kruisdraging, waarvan sommige motieven in de aan Jan de Cock toegeschreven Kruisdraging (New Haven), het Drieluik met de kruisiging (Amsterdam), De bewening (Wenen) en Lot en zijn dochters (Detroit), terugkomen. Zo vertoont de compositie van De kruisdraging in New Haven, met de voorbijtrekkende mensenmassa op het middenplan, de kruisiging in de achtergrond, en toeschouwers in de voorgrond, sterke parallellen met De kruisdraging in het schetsboek, maar dan in spiegelbeeld.16 Een ander opmerkelijk detail is de stadsmuur op de rechterhelft van het middenpaneel van het Drieluik met de kruisiging. De opeenvolgende bouwelementen komen nauw overeen met de stadsmuur op folium 32r. Hetzelfde geldt voor de architectuur rechts in de achtergrond van het schilderij met Lot en zijn dochters. Zo ook het paard op folium 31r: een parallel met het paard op de buitenzijde van het Drieluik met de kruisiging valt moeilijk te ontkennen.17 Het bracht Held ertoe te veronderstellen dat De kruisdraging in het schetsboek was getekend naar een verdwenen schilderij met dezelfde voorstelling door Jan de Cock, die bovendien vooraf ging aan De kruisdraging in New Haven.18 Voor de compositie had De Cock zich zowel laten beïnvloeden door de landschappen van de in Antwerpen werkzame Joachim Patinir, als door werken van schilders die Held als Hollands beschouwde, zoals Jheronimus Bosch en Jan Mostaert. Vooral het motief van een door het landschap wegtrekkende menigte identificeerde hij met deze laatste twee kunstenaars.19

In 1937 besteedde Ludwig Baldass in zijn uitvoerige artikel ‘Die niederländischen Maler des spätgotischen Stiles’, ook aandacht aan Jan de Cock.20 Baldass, die inmiddels afstand had genomen van zijn eerdere toeschrijving van De heilige Christoforus aan Hieronymus Cock, volgde Friedländers redenering dat Jan de Cock zeer waarschijnlijk geïdentificeerd kon worden met Jan van Leyen uit Leiden en bijgevolg het eerste deel van zijn loopbaan in die stad had doorgebracht. Maar nadrukkelijker dan Friedländer onderscheidde Baldass een aantal stadia in de ontwikkeling van De Cock. Ten eerste het vroege werk, dat naar zijn mening een duidelijk Hollands karakter heeft en waartoe hij de Weense Bewening en de De besnijdenis in het Rijksmuseum rekende. Aan deze vroege periode voegde hij een Afscheid van Maria (afb. 18) uit de verzameling van de Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen (tegenwoordig Museum Boijmans Van Beuningen) toe, dat tot dan toe op naam van Cornelis Engebrechtsz stond. De middenperiode, waartoe volgens Baldass onder meer het Drieluik met de kruisiging (Amsterdam) en De heiligen Antonius en Paulus in de wildernis (Liechtenstein) behoorden, vertoonde zowel Hollandse als Antwerpse invloeden. Voorbeelden van het late werk, dat zonder meer in Antwerpen moest zijn vervaardigd en onder invloed stond van de landschapschilderkunst van Joachim Patinir, waren onder meer De heilige Christoforus – het kernstuk van waaruit Friedländer was begonnen het oeuvre van Jan de Cock samen te stellen – Lot en zijn dochters (Detroit) en de houtsnede uit 1522 met De verzoeking van de heilige Antonius.

Overtuigd dat de stijlkenmerken te ver uiteenliepen om alle werken op naam van één meester te handhaven, splitste Baldass bovendien twee meesters met noodnamen af, die hij beiden als leerlingen van Jan de Cock beschouwde. De eerste doopte hij de ‘Meister der Verstoβung Hagar’, vernoemd naar De wegzending van Hagar in Wenen, het schilderij dat door Friedländer eerst als een werk van Cornelis Engebrechtsz werd beschouwd en later mogelijk als een werk van Jan de Cock. Het oeuvre van deze nieuwe meester breidde Baldass nog uit met een drietal schilderijen: De heiligen Paulus en Antonius in de wildernis (Berlijn), De verzoeking van de heilige Antonius (Dresden), eveneens een twijfelgeval in de optiek van Friedländer, en De heilige Christoforus met de markante rode mantel (voorheen Freiherr von Fürstenberg). De andere leerling werd vernoemd naar de Geboorte in Zagreb (Agram). Aan het oeuvre van deze ‘Meister der Agramer Geburt Christi’ voegde hij nog een Kruisiging (afb. 19) toe uit het museum te Verona.

afb. 16
Meesters van het Antwerpse Schetsboek
De kruisdraging, ca. 1525-1550
Berlijn (stad, Duitsland), Kupferstichkabinett der Staatlichen Museen zu Berlin, inv./cat.nr. 79 C 2, fol. 31r

afb. 17
Meesters van het Antwerpse Schetsboek
Fragment van een kruisdraging, ca. 1525-1550
Berlijn (stad, Duitsland), Kupferstichkabinett der Staatlichen Museen zu Berlin, inv./cat.nr. 79 C 2, fol. 32r

afb. 18
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
Christus neemt afscheid van Maria, ca. 1520-1530
Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen, inv./cat.nr. 2448

afb. 19
heet(te) Lucas van Leyden navolger van Jan Wellens de Cock
De kruisiging, eerste kwart 16de eeuw
Verona (stad, Italië), Museo di Castelvecchio, inv./cat.nr. 352


Notes

1 Cohen 1921.

2 Winkler 1924, p. 213-214.

3 Cohen 1926, p. 412-414; Wescher 1925-1926.

4 De Térey 1927, p. 297; Van Gelder 1927.

5 Friedländer 1921, p. 8; Friedländer 1932, p. 69-73.

6 Friedländer 1932, p. 69, 70.

7 Friedländer 1933, p. 59-72, 125-127, nrs. 104-125.

8 Friedländer 1933, p. 126, nr. 107.

9 Friedländer 1933, p. 127, zonder nr.

10 Friedländer 1933, p. 127, zonder nr.

11 Friedländer 1932, p. 73, 132, nr. 102; Friedländer 1933, p. 127, zonder nr.

12 Friedländer 1933, p. 126, nr. 111.

13 Friedländer 1932, p. 68, 130, nr. 78; Friedländer 1933, p. 127, zonder nr.

14 Held 1933. Of Held toentertijd over zijn vondsten met Friedländer heeft gesproken is helaas niet meer na te gaan, maar lijkt wel zeer aannemelijk, temeer omdat ze ook na 1933 nog veelvuldig contact onderhielden.

15 Bevers 1998; Van Heesch 2013.

16 Een opvallend detail op het schilderij in New Haven dat door Held nog niet kon worden opgemerkt, is het hondje dat ter hoogte van de kruisdragende Christus in de voorbereidende ondertekening is aangebracht, overeenkomstig de tekening in het schetsboek, maar uiteindelijk niet in verf is uitgewerkt. Zie Wolters hieronder.

17 Daan van Heesch, die in 2012-2013 onderzoek verrichtte naar de relatie tussen de schetsboekbladen en geschilderde composities, heeft aan de door Held gelegde verbanden nog tal van voorbeelden kunnen toevoegen. Het betreft onder meer schilderijen uit de omgeving van Herri met de Bles, Pieter Coecke van Aelst en de Monogrammist van Brunswijk. Uit het onderzoek van Van Heesch komt naar voren dat bepaalde beeldmotieven een brede verspreiding kenden en dat het gebruik ervan zich niet beperkte tot één enkele werkplaats. Deze conclusie sluit naadloos aan bij hetgeen Held in 1933 al vaststelde: de in omloop zijnde beeldmotieven werden door kunstenaars niet slaafs gekopieerd, maar telkens weer geparafraseerd en vrijelijk in composities gevoegd; Held 1933, p. 278-279. Zie voor de schetsboekbladen de records in RKDimages onder de naam ‘Meesters van het Antwerpse Schetsboek’. Bepaalde composities zijn ook in het Errera Schetsboek terug te vinden. Het fenomeen is zeer vergelijkbaar met de diabolische fantasiefiguurtjes uit het oeuvre van Jheronimus Bosch die door tijdgenoten en latere navolgers veelvuldig werden nagevolgd. Zie hiervoor Van Heesch 2013; Unverfehrt 1980.

18 Nadien bleek dat de getekende compositie haast identiek is met een aan Herri met de Bles toegeschreven schilderij in het Princeton University Art Museum (https://rkd.nl/images/43567); Koch 1998, p. 16.

19 Held 1933, p. 276-282. Held verwijst onder meer naar de buitenzijde van het Drieluik met de verzoeking van de heilige Antonius door Jheronimus Bosch (Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon; https://rkd.nl/images/56551; https://rkd.nl/images/56552) en de Ontdekking van Amerika door Jan Mostaert (Rijksmuseum, Amsterdam; https://rkd.nl/images/18952).

20 Baldass 1937, p. 124-131.