De problematische kunstenaar

RKD STUDIES

1.3 Friedländers hypothese over Jan de Cock


Welke feiten en aannames vormden nu precies de grondslag waarop Friedländer zijn hypothese baseerde dat Jan de Cock wel eens de schilder kon zijn van De heilige Christoforus? (afb. 1) Behalve het opschrift op de prent en de stijlkenmerken van het schilderij die wijzen op een ontstaan in de vroege zestiende eeuw, was dat een reeks archiefvermeldingen die hij kende uit twee publicaties: De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde van de geschiedschrijvers Philippe Rombouts en Theodoor Frans Van Lerius, waarvan het eerste deel in 1864 werd gepubliceerd, en De Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool uit 1883, geschreven door de adjunct-archivaris van Antwerpen, Frans Jozef Peter Van den Branden.1

De Antwerpse Liggeren maken tweemaal melding van leerlingen die hun opleiding tot schilder bij ‘Jan de Cock, schilder’ hadden voltooid: in 1506 een zekere ‘Loduwijck’ en in 1516 Wouter Key. Bovendien wordt ‘Jan de Cock’ in 1520, samen met ‘Joes van Cleve’ (Joos van Cleve, 1485-1541), genoemd als deken van het Antwerpse Sint-Lucasgilde.2 Daarnaast wordt er in de rekeningen van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk over het boekjaar 1507-1508, zo blijkt eveneens uit de publicatie van Rombouts en Van Lerius, tweemaal melding gemaakt van betalingen aan ‘Jan de Cock, schilder’ vanwege uitgevoerde werkzaamheden. Over het boekjaar 1528-1529 is sprake van een nog openstaande schuld van de weduwe in verband met de huur van een kraamplaats in het aan de kerk grenzende Onze-Lieve-Vrouwepand.3 In aanvulling op Rombouts en Van Lerius meldt Van den Branden dat ‘Jan Wellens, alias Cock’ was gehuwd met Clara van Beeringen en dat zij vier kinderen kregen, waaronder de al genoemde Matthijs en Hieronymus. In januari 1527 was Van Beeringen hertrouwd met de schilder Frans Vermeers.4 Omdat de archivalische gegevens niet met elkaar in tegenspraak zijn, ging Friedländer, in navolging van Van den Branden, er vanuit dat de genoemde ‘Jan de Cock’ en ‘Jan Wellens, alias Cock’ een en dezelfde persoon zijn. Belangrijke informatie die in de Liggeren echter ontbreekt, betreft De Cocks eigen opleiding tot schilder, evenals de vermelding van het jaar waarin hij was toegetreden als vrijmeester, terwijl in de keuren van het gilde was voorgeschreven dat alleen vrijmeesters leerlingen mochten aannemen. Daarom bleven twee essentiële vragen onbeantwoord: waar kwam Jan de Cock vandaan en waar werd hij opgeleid.

De toeschrijving van De heilige Christoforus door Burchard en Baldass aan Hieronymus Cock werd ook al vóór Friedländers afwijzing niet unaniem geaccepteerd. In 1913, dus een jaar nadat zij hun toeschrijving hadden gepubliceerd, werd het schilderij getoond op de Utrechtse Tentoonstelling van Noord-Nederlandsche schilder- en beeldhouwkunst vóór 1575 als een werk van de Leidse schilder Cornelis Engebrechtsz (ca. 1462-1527).5 Deze toeschrijving was overgenomen van Hermann Nasse, die in 1911 een artikel wijdde aan de collectie Von Bissing in München. Nasse, die de toeschrijving mondeling was medegedeeld door Franz Dülberg, trok tal van stilistische parallellen tussen De heilige Christoforus en werken van Cornelis Engebrechtsz. Zo beschouwde hij de wijze waarop de mantel van de heilige over het water sleept en de grillig vormgegeven boomstam als typisch voor Engebrechtsz.6

Het ontbreken in de Liggeren van gegevens over Jan de Cocks opleiding en zijn verwerving van het vrijmeesterschap, én het veronderstelde Leidse karakter van De heilige Christoforus, bracht Friedländer ertoe om een zekere ‘Jan van Leyen’ (Jan uit Leiden), die volgens de Liggeren in 1503 het vrijmeesterschap in Antwerpen verwierf, te identificeren met Jan de Cock.7 Deze aanname vormde geen discrepantie met hetgeen over Jan de Cock uit de archieven bekend was en gaf bovendien een verklaring voor de noordelijke invloed die Nasse en Dülberg in het schilderij herkenden. Zo werd De heilige Christoforus uit de collectie Von Bissing in Friedländers hypothese het uitgangspunt voor de samenstelling van het oeuvre van Jan de Cock, een kunstenaar van wie voor het eerst in 1503 in Antwerpen gewag werd gemaakt en die afkomstig was uit Leiden. Deze kunstenaar werd voorzichtigheidshalve door hem aangeduid als ‘der vermeintliche Jan de Cock’.8

Het groepje werken dat Friedländer in 1915 verder aan Jan de Cock toeschreef, waren een drieluikje met De kruisiging (afb. 2-3) en een luikje met De besnijdenis (afb. 4), beide in het Rijksmuseum, een schilderij met De heiligen Antonius en Paulus in de wildernis (afb. 5) in de verzameling van de vorsten van Liechtenstein en een 1522 gedateerde houtsnede met De verzoeking van de heilige Antonius (afb. 6). Opmerkelijk is dat deze prent links in de achtergrond (afb. 7) dezelfde twee heiligen toont als die op het schilderij in Liechtenstein (afb. 5) prominent in de voorgrond zitten.9
Aan dit groepje voegde Friedländer in 1918 nog een aantal werken toe: een Verzoeking van de heilige Antonius (afb. 8) in Genève, een Kruisdraging (afb. 9) in New Haven, die op naam van Cornelis Engebrechtsz stond, en een Bewening (afb. 10) in de verzameling van Onnes van Nijenrode (tegenwoordig Kunsthistorisches Museum, Wenen). De compositie van dit laatstgenoemde werk vertoont opvallende overeenkomsten met het middenpaneel van Engebrechtsz Drieluik met de bewening (afb. 11) in Museum De Lakenhal in Leiden.10

Wat volgens Friedländer al deze werken met elkaar verbindt, is allereerst de stilistische verwantschap met schilderijen van de Antwerpse Maniëristen,11 vooral de vlotte schilderwijze en de in wervelende plooien vallende gewaden, alsook de coulisseachtige opbouw van het landschap met zijn fantastische rotsformaties, zoals die door Joachim Patinir (ca. 1480/85-1524) in Antwerpen was geïntroduceerd. Bovendien herkende Friedländer invloeden van Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516), wiens beeldtaal zich kort na zijn dood als een olievlek verspreidde, in het bijzonder in Antwerpen.12 Maar de overeenkomsten tussen de aan De Cock toegeschreven werken komen het nadrukkelijkst tot uiting in het gebruik van bepaalde motieven. Zo tonen de 1522 gedateerde houtsnede (afb. 6) en de schilderijen uit Liechtenstein (afb. 5) en Genève (afb. 8) een zelfde omhoog kronkelende, gehavende boom als het paneel met De heilige Christoforus uit de collectie Von Bissing. Ook vertonen de meeste schilderijen vergelijkbare rotsformaties (afb. 1, 3, 5, 8, 9) en is op een van de boomtakken geregeld een uil (afb. 1, 5, 8) weergegeven. Een ander opvallend motief, dat een aantal van de mannelijke figuren typeert, is de tot ver over het gezicht getrokken kap waaronder nog net een stukje van de neus en baard uitsteekt (afb. 5, 6, 8). De kenmerkende, op Bosch geïnspireerde diabolische fantasiefiguurtjes op de houtsnede (afb. 6), keren terug op de buitenluiken van het Drieluik met de kruisiging (afb. 3). De wervelende mouwstukken van de heilige Christoforus te paard herinneren bovendien aan de rode cape die de Christoforus uit de collectie Von Bissing om zijn schouders draagt. De vlot gepenseelde schare geharnaste ridders rond het kruisigingstafereel (afb. 2) op de binnenzijde, vertonen op hun beurt weer parallellen met de mensenmassa die de kruisdragende Christus vergezellen op het schilderij in New Haven (afb. 9).13

De ogenschijnlijk met elkaar in overeenstemming zijnde archiefvermeldingen en de overeenkomstige stijlkenmerken – die zowel een connectie met Antwerpen als met Leiden suggereren – brachten Friedländer tot de voorzichtige veronderstelling dat Jan de Cock vanuit Leiden, waar hij misschien een leerling of medeleerling van Cornelis Engebrechtsz was geweest, naar Antwerpen was getrokken, de metropool aan de Schelde die in de eerste decennia van de zestiende eeuw een onmiskenbaar aanzuigende werking had.14 Bovendien, zo stelde hij in zijn slotbetoog, al zou de identificatie van Jan de Cock met Jan van Leyen op een onjuiste aanname berusten, dan nog is het veelzeggend dat een in Antwerpen werkzame meester, die aan Bosch en Patinir ontleende motieven in zijn composities verwerkte en medebepalend was voor de stijlkenmerken van de Antwerpse Maniëristen, uit Holland afkomstig was. Kortom, de ontwikkeling van de schilderkunst in Antwerpen was het gevolg van een vervlechting met stijlelementen uit het noorden. Dat Hieronymus Cock nadien succesvol werd met het uitgeven van Boschcomposities in prentvorm, zou wellicht mede te danken zijn geweest aan zijn vader, Jan de Cock.15

afb. 1
Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Christoforus met het Christuskind, ca. 1520-1525
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. inv.nr. SK-C-1840

afb. 2
toegeschreven aan Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Petrus met stichter (binnenzijde linkerluik), de kruisiging (middenpaneel), de Heilige Jacobus de Meerdere met stichtster (binnenzijde rechterluik), ca. 1525
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. SK-A-1598

afb. 3
toegeschreven aan Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Christoforus met het Christuskind op de Weg des Levens, ca. 1525
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. SK-A-1598

afb. 4
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock of toegeschreven aan Pseudo Jan Wellens de Cock
De besnijdenis (binnenzijde van een luik); Maria (van een voorstelling met de annunciatie) (buitenzijde van een luik), ca. 1515-1525
Den Haag, Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis

afb. 5
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
De Heilige Antonius en Paulus in de wildernis, in of voor 1522
Wenen, particuliere collectie Liechtenstein - The Princely Collections, inv./cat.nr. GE00710

afb. 6
Anoniem 1522 gedateerd naar Pseudo Jan Wellens de Cock
De verzoeking van de Heilige Antonius, 1522 gedateerd
Amsterdam, Rijksprentenkabinet, inv./cat.nr. RP-P-OB-2242

#

afb. 7
Detail van afb. 6


afb. 8
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
De verzoeking van de Heilige Antonius, ca. 1530
Genève, Musée d'Art et d'Histoire de Genève, inv./cat.nr. CR 29

afb. 9
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock of Meester van de Bewening te Wenen of mogelijk Meester J. Kock
De kruisdraging, ca. 1520-1525
New Haven (Connecticut), Yale University Art Gallery, inv./cat.nr. 1871.155


afb. 10
atelier van Pseudo Jan Wellens de Cock
De bewening, ca. 1520
Wenen, Kunsthistorisches Museum, inv./cat.nr. 6441

afb. 11
Cornelis Engebrechtsz
De Heiligen Cecilia en Maria Magdalena met stichtster (binnenzijde linkerluik), De bewening geflankeerd door de overige zes Smarten van Maria (middenpaneel), De Heiligen Jacobus de Meerdere en Martinus van Tours met een Augustijner monnik (binnenzijde rechterluik); De Heiligen Apollonia en Gertrudis van Nijvel (buitenzijde linkerluik), De Heiligen Agatha en Agnes (buitenzijde rechterluik), ca. 1508-1510
Leiden, Museum De Lakenhal, inv./cat.nr. S94


Notes

1 Van den Branden 1883; Rombouts/Van Lerius 1864-1876, I.

2 Rombouts/Van Lerius 1864-1876, I, p. 65, 87, 94. Zie ook Van den Branden 1883, p. 289.

3 Rombouts/Van Lerius 1864-1876, I, p. 65. Zie ook Van den Branden 1883, p. 289.

4 Van den Branden 1883, p. 289-290.

5 Utrecht 1913A, p. 37, cat.nr. 23, als toegeschreven aan Cornelis Engebrechtsz. In de Duitstalige, bewerkte uitgave van de tentoonstellingscatalogus is aan de entry een opmerking toegevoegd waarin wordt gesteld dat de toeschrijving aan Cornelis Engebrechtsz geenszins overtuigend is en dat de Belgische kunsthistoricus Georges Hulin de Loo mondeling heeft medegedeeld dat hij De heilige Christoforus in verband brengt met het Drieluik met de kruisiging in het Rijksmuseum; Utrecht 1913B, p. 38-39, cat.nr. 23. In zijn eigen exemplaar van de tentoonstellingscatalogus (collectie RKD) heeft Friedländer in de marge bij nr. 23 genoteerd: ‘M[ei]st.[er] d.[er] Einsiedler’. Dit komt overeen met de aantekeningen die hij in zijn notitieboekje (RKD, Archief Max J. Friedländer, inv.nr. 254, p. 54) maakte ten tijde van de tentoonstelling in Utrecht: ‘M[ei]st.[er] d.[er] Liechtenst.[einer] Einsiedl.[er] / Christoph.[orus] bei Bissing’, daarmee verwijzend naar De heiligen Antonius en Paulus in de wildernis (Liechtenstein) die hem (mogelijk) door dezelfde hand uitgevoerd leek te zijn. Zowel uit het notitieboekje als uit een aantekening op het titelblad van zijn eigen exemplaar van de tentoonstellingscatalogus kan worden afgeleid dat Friedländer op 28 en 29 september 1913 de tentoonstelling in Utrecht bezocht. Het schilderij werd opnieuw tentoongesteld in Berlijn in 1914; Berlijn 1914, p. 16, cat.nr. 39, als mogelijk Cornelis Engebrechtsz.

6 Nasse 1911, p. 214-215. In 1899 publiceerde Dülberg een proefschrift over de Leidse schilderkunst waarin hij onder meer aandacht besteedde aan Cornelis Engebrechtsz; Dülberg 1899.

7 Rombouts/Van Lerius 1864-1876, I, p. 58. Friedländer 1918, p. 68, 74.

8 Friedländer 1918, p. 72, 73, 74.

9 Friedländer 1915, p. 88. Het overeenkomstige motief van de tegenover elkaar zittende heiligen Antonius en Paulus omschrijft Friedländer pas in 1918; Friedländer 1918, p. 70.

10 Friedländer 1918, p. 70-73.

11 Voor een recente publicatie over de Antwerpse Maniëristen, zie bijvoorbeeld Antwerpen/Maastricht 2005-2006.

12 Voor de verspreiding van de beeldtaal van Jheronimus Bosch in de vroege zestiende eeuw zie vooral Unverfehrt 1980.

13 Friedländer 1915, p. 88; Friedländer 1918, p. 69-71, 73-74.

14 Zie hiervoor bijvoorbeeld Antwerpen 1993 en Blondé/Puttevils 2020.

15 Friedländer 1918, p. 74. Voor prenten met Boschmotieven uitgegeven door Hieronymus Cock, zie Leuven/Parijs 2013, p. 243-244, 248-255, cat.nrs. 59, 62-65.